SALAFISME: GEWELDLOOS EN TOCH GEVAARLIJK

VERBIEDEN OF NIET VERBIEDEN, DAT IS DE VRAAG

INLEIDING
Een meerderheid van de Tweede Kamer steunde eind 2015 een motie van Ockje Tellegen en Ahmed Marcouch om te onderzoeken of salafistische organisaties verboden kunnen worden wegens strijd met de openbare orde. De motie werd ingegeven door een toenemende zorg in Nederland over het feit dat het onderscheid tussen jihadi-salafisme en geweldloos salafisme vervaagt. Jihadi-salafisten roepen op tot geweld en kunnen dus al aangepakt worden. De overige salafisten roepen niet op tot geweld en kunnen tot nu toe niet strafrechtelijk worden aangepakt.
Daarmee ligt de vraag voor of we salafistische organisaties, die wel antidemocratisch zijn, maar niet tot geweld oproepen, ook moeten verbieden, enkel omdat jihadi-terroristen vaak eerst geweldloze salafisten zijn geweest.
Is die dreiging zo groot dat zij een verbod rechtvaardigt of heeft burgemeester Jozias van Aartsen (Den Haag) gelijk als hij stelt dat een verbod op geweldloze, salafistische organisaties indruist tegen de grondrechten vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en dat we een beter resultaat bereiken als we mensen met een afwijkende mening meer bij Nederland betrekken? Onder zijn bewind lopen al vijf jaar op oudejaarsavond jongeren van de salafistische as-Soennah-moskee mee met de politie in de Schilderswijk om leeftijdgenoten aan te spreken op hun gedrag. In dit artikel wordt eerst ingegaan op de vraag wat we verstaan onder (jihadi-)salafisme en onder terrorisme; welke mogelijkheden de huidige wetgeving biedt om ons tegen dit gevaar te beschermen en hoe wetgeving die nog verder gaat zich verhoudt tot onze democratische rechtsbeginselen om vervolgens de vraag te beantwoorden of wij inderdaad salafistische organisaties zouden moeten verbieden.
TERRORISME
Een definitie van terrorisme is moeilijk te geven, omdat het zoals Uri Rosenthal stelt een ‘contested concept’ is, een concept waarvoor het zeer moeilijk is tot een definitie te komen. Ik zal in dit artikel uitgaan van de volgende omschrijving van terrorisme:
“Angst aanjagen door – dreiging met – het willekeurig inzetten van geweld om op die manier uiteindelijk gewone burgers in het gewenste politieke gareel te krijgen”. Het intimideren van de bevolking; overheden/internationale organisaties verplichten iets te doen/ na te laten en het destabiliseren van de basisstructuren van een land zijn veel voorkomende strafbare feiten die samenhangen met terrorisme.
DE CHINEZEN VATTEN HET KORTER SAMEN:
DOOD ÉÉN, BEANGSTIG DUIZENDEN.
Of om met Uri Rosenthal te spreken: het hedendaags catastrofaal terrorisme beoogt de totale ontwrichting van een maatschappij en kan enkel met dreiging al voldoende angst aanjagen om onze maatschappij te destabiliseren. Afshin Ellian wijst op het gevaar dat terrorisme rampzalige, emotionele, ondoordachte electorale verschuivingen teweeg kan brengen.
SALAFISME
Het salafisme is een stroming binnen de islam die zich kenmerkt door een streven naar de ‘zuivere islam’, de islam uit de begintijd en moet niet verward worden met de orthodoxe islam die zich gedurende vele eeuwen heeft ontwikkeld. Het kent geen centrale autoriteit zoals bijvoorbeeld in de Katholieke Kerk de Paus. Het salafisme is gericht op morele ‘heropvoeding’ van moslims en op het ‘zuiveren’ van het geloof van gepercipieerde ‘nieuwlichterij’ en als vijandig ervaren ‘ketterij’. Dit streven kan leiden tot een van de buitenwereld afgegrensde levensstijl. Het biedt voor de daartoe aangetrokken personen een duidelijke identiteit, structuur en groepsbinding en een mogelijkheid om als individu een persoonlijke bijdrage te leveren aan een hoger doel.
Deskundigen schatten het aantal salafisten in Nederland op ongeveer 45.000. Men onderscheidt binnen het salafisme grofweg drie belangrijke stromingen: het apolitieke salafisme, het politieke salafisme en het jihadi-salafisme. Het apolitieke salafisme richt zich op het persoonlijke, religieuze leven en afzondering van de niet-islamitische samenleving. Het verspreidt zijn leer geweldloos, alleen via da’wa (prediking). Ook het politiek salafisme verspreidt zijn leer geweldloos via da’wa. Het staat echter een actievere maatschappelijke rol en een sterker politiek engagement voor
om haar religieus geïnspireerde politiek-maatschappelijke doelen te bereiken. Het jihadi-salafisme verspreidt het geloof niet alleen via da’wa maar ook met geweld. Alle drie de stromingen streven naar de oprichting van een samenleving die volledig gebaseerd is op de waarden en normen van de zuivere islam en richten zich daarmee – in ieder geval impliciet – tegen de democratische rechtsstaat zoals wij die kennen. In een recente column waarschuwt Ellian tegen het apolitieke salafisme, omdat de stap van apolitieke salafist naar jihadi-salafist snel gezet is. Ook de AIVD ziet het onderscheid tussen da’wa-salafisme (geweldloos) en jihadisme (geweld) diffuser worden. Het antidemocratische karakter klinkt sterker door en het Nederlandse da’wa-salafisme lijkt van de buffer tegen het jihadisme dat het een aantal jaren geleden was, een kweekvijver ervoor te zijn geworden.
JIHADI-SALAFISME
De leiders van het jihadi-terrorisme beogen een staat te vestigen die geheel gebaseerd is op de eeuwige onveranderlijke wetten zoals zij menen dat de zuivere islam die predikt en die het leven van de burgers totaal beheerst. Over het algemeen blijken jihadi-salafisten geworven te worden onder de geweldloze salafisten. Over wat de zuivere islam is en voorschrijft, verschillen de meningen onderling sterk, evenals over de vraag tot hoever die staat zich zal strekken. Zo is er een felle discussie binnen de zuivere islam over de vraag wat het begrip al-wala wa-lbara – afkeer en loyaliteit omwille van Allah – inhoudt. Volgens meer gematigde predikers betekent dit dat een ware gelovige wel het ongeloof moet haten, maar niet de ongelovigen. Meer rigide predikers menen dat ook de ongelovigen gehaat moeten worden. Eenzelfde verschil in opvatting bestaat over homoseksualiteit. Ook over de omgang met de eisen die de democratische rechtsstaat stelt aan een burger ten opzichte van de eisen die het geloof stelt aan een moslim, verschillen de meningen binnen het salafisme. Velen vinden dat je als moslim een verbond bent aangegaan met het land waar je woont, en dat je vanuit dit idee dan ook de wetten en regels van dat land dient te gehoorzamen zolang je niet in je geloof belemmerd wordt. De extremisten daarentegen zijn van mening dat alleen Allah wetgever is en dat alles wat daarvan afwijkt afgewezen moet worden (tawhid). Het salafisme geeft uitgebreide en gedetailleerde regels over praktisch alles in het leven van opstaan tot slapengaan. De hoofdstroming is van mening dat voor wie niet in staat is een deel van datgene wat hem is opgedragen te verrichten, het volstaat om datgene te doen waartoe hij wel in staat is. Extremisten zijn hierin veel minder coulant.
HET NEDERLANDS STRAFRECHT EN DE BESTRIJDING VAN HET JIHADI-TERRORISME
Na 9/11 is in Nederland, net als in de rest van de EU, de wetgeving op het gebied van de bestrijding van terrorisme aanmerkelijk uitgebreid.
Met behulp van die nieuwe wetgeving heeft het OM bijvoorbeeld de Hofstadgroep kunnen opsporen en achter de tralies kunnen krijgen. Zodra een salafist of een salafistische organisatie oproept tot geweld, biedt het strafrecht al middelen om individuele salafisten op te sluiten en salafistische organisaties te verbieden.
HET VERBIEDEN VAN EEN RECHTSPERSOON
Strikt genomen is het verbod op een rechtspersoon geen strafrechtelijke aangelegenheid: het verbod is te vinden in artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW). De strafrechtelijke component wordt gevormd door twee zaken:
1. het Openbaar Ministerie (OM) dient het verzoek bij de civiele rechter in een rechtspersoon te verbieden op grond van het feit dat doel of werkzaamheden in strijd zijn met de openbare orde.
2. En vervolgens stelt artikel 140 Wetboek van Strafrecht (WvSr) voortzetting van een verboden organisatie strafbaar.
Een van de weinige keren dat de Hoge Raad (HR) daadwerkelijk een vereniging heeft verboden op grond van artikel 2:20 BW, namelijk in de zaak tegen pedofielenvereniging Martijn, oordeelde hij dat de enkele omstandigheid dat de werkzaamheid van de vereniging een bedreiging vormt voor de openbare orde, niet meebrengt dat zij verboden wordt verklaard en wordt ontbonden; daarvoor moeten, aldus de HR, gronden worden aangevoerd die zwaarder wegen dan de fundamentele vrijheid van vereniging.
Is het feit dat lidmaatschap van een salafistische organisatie de kans vergroot dat iemand zich bekeert tot het jihadi-terrorisme voldoende rechtvaardigingsgrond om de organisatie te verbieden, nu de organisatie zelf, noch haar leiders, geweld propageren? Is het wellicht interessant welk percentage da’wa salafisten de overstap naar jihadi maken?
Eind 2014 telde Nederland 162 jihadstrijders. Op 45.000 salafisten is dat nog geen procent . Hoe groot is de kans dat de HR tot het oordeel zal kunnen komen dat een geweldloze salafistische organisatie verboden moet worden, enkel op basis van het feit dat minder dan één procent van haar leden in het verleden zich tot een gewelddadige organisatie heeft bekeerd? Ook het enkele feit dat een organisatie een niet-democratische orde wenselijk acht, zal niet voldoende rechtsgrond bieden voor zo een zwaar verbod.
HET VERBIEDEN VAN HET SALAFISME IN EEN WEERBARE DEMOCRATIE
Het strafrecht biedt het OM middelen om individuen, die samenspannen met een terroristische oogmerk, die oproepen tot het plegen van aanslagen of die werven voor een terroristische organisatie op te sporen, te vervolgen en zwaarder te straffen dan “gewone” criminelen. Ook zijn bepaalde entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban van rechtswege verboden. Bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen sneller ingezet worden als er aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van terrorisme.
Nu er echter aanwijzingen zijn dat het – op zich geweldloze – apolitieke en het politieke salafisme een opstap kan zijn naar jihadi-salafisme, rijst de vraag wat de Nederlandse staat kan en moet doen tegen organisaties die deze vormen van geweldloos salafisme propageren. Het apolitieke salafisme noch het politieke salafisme roepen op tot het plegen van geweld. Zij kunnen dus ook niet van terrorisme worden beticht. Hun gevaar schuilt enerzijds in het feit dat ze blijkbaar een kweekvijver zijn voor jihadi-salafisme en anderzijds dat zij een samenleving nastreven die haaks staat op de normen en waarden van onze democratische rechtsstaat.
Wat als mensen zich beroepen op godsdienstige of ideologische opvattingen om zich te keren tegen onze democratische rechtsstaat? Het is in onze democratische rechtstaat toegestaan, ja het wordt zelfs nuttig geacht dat mensen en organisaties zich, op basis van godsdienstige of ideologische overtuigingen, kritisch opstellen tegenover het democratische systeem. Wanneer vinden we dan dat de grens overschreden wordt, dat er geen sprake meer is van zinvolle kritiek, maar van een bedreiging van de democratische rechtsorde en dat we die bedreiging een halt moeten toeroepen?
In het kader van deze vraag is het interessant te onderzoeken of de dissertatie van Bastiaan Rijpkema ons verder kan helpen. In zijn onlangs verschenen “ Weerbare Democratie” bepleit Rijpkema de mogelijkheid van een rechterlijk partijverbod wanneer een politieke partij als doelstelling heeft het democratisch zelf-correctievermogen van een staat af te schaffen. Ter onderbouwing stelt hij dat de democratie een aantal inherente zwakheden kent: Eén daarvan is dat ook – antidemocratische – vijanden worden toegelaten in het hart van haar systeem, het parlement.
Zou men naar analogie van het door Rijpkema voorgestelde partijverbod ook andere organisaties dan politieke partijen mogen verbieden omdat zij het democratisch zelf-correctievermogen wensen af te schaffen? Een salafistische organisatie die niet tevens een politieke partij is, kan niet tot het parlement doordringen en kan dus ook geen wetten voorstellen of aangenomen krijgen die het democratisch vermogen tot zelfcorrectie kunnen afschaffen. Rijpkema ’s argumentatie biedt dus eerder geschut om salafistische organisaties niet te verbieden dan om ze wel te verbieden. Dit standpunt krijgt ook steun van Ignatieff, de Cleveringa-hoogleraar 2013-2014, die er juist voor pleit in maatschappijen met veel verschillende meningen zoals Nederland de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst pas te laten wijken voor de bescherming van de openbare orde wanneer zij, die haat uiten, ook terroristische (mis)daden gaan steunen. En voor het aanpakken van steun aan terroristische (mis) daden biedt het Nederlands recht al rechtsmiddelen zoals we hierboven zagen.
ANDERE MIDDELEN OM HET JIHAD SALAFISME TE BESTRIJDEN
Er blijken andere mogelijkheden te zijn om met minder vergaande middelen de functie van geweldloos salafisme als kweekvijver voor jihadi-salafisten terug te dringen. Zo worden er al vaak activiteiten succesvol verstoord, komt Ellian met het interessante voorstel wantrouwen tussen de groepen aan te wakkeren en overweegt minister Asscher het verheerlijken van radicaalislamitische organisaties als Islamitische Staat strafbaar stellen. Jozias van Aartsen “betrekt” een salafistische moskee verder bij onze maatschappij door samen de orde in de wijk te gaan bewaken en creëert daarmee de ruimte voor een dialoog die er in resulteert dat de moskee afscheid neemt van een omstreden imam.

CONCLUSIE
Om de vraag of we salafistische organisaties, die wel antidemocratisch zijn, maar niet tot geweld oproepen, ook moeten verbieden, enkel omdat jihadi-terroristen vaak eerst geweldloze salafisten zijn geweest zijn te kunnen beantwoorden, zijn in het bovenstaande in vogelvlucht een aantal zaken behandeld: het terrorisme het salafisme en meer in het bijzonder het jihadi-terrorisme, het gevaar dat inmiddels niet alleen van het jihadi-salafisme, maar ook van het geweldloze salafisme uitgaat, omdat dit een kweekvijver blijkt te zijn voor jihadi-salafisten; de middelen waarover wij zowel in ons strafrecht als elders beschikken om terrorisme te bestrijden en om organisaties die een gevaar vormen voor de openbare orde te verbieden, en tenslotte een afweging tussen het belang van handhaving van de beginselen van onze democratische rechtsstaat en het nemen van antidemocratische maatregelen als het verbieden van een godsdienstige organisatie om diezelfde rechtstaat te redden.

De conclusie is dat we hier verkeren in een spanningsveld dat hoort bij de Verlichtingsidealen. Wat moet in casu zwaarder wegen, de bescherming van burgers tegen overheidswillekeur of de bescherming van de mens tegen zijn medemens? Gezien de jurisprudentie van de HR in de zaak Martijn over het zwaarwegende belang van de fundamentele vrijheid van vereniging, zal een rechterlijk verbod op grond van artikel 2:20 BW niet snel worden uitgesproken.
In de literatuur is terughoudendheid te bespeuren ten aanzien van een verbod op alle vormen van salafisme, zolang deze geen geweld propageren.
Waar Rijpkema pleit voor de mogelijkheid van een rechterlijk verbod voor bepaalde antidemocratische politieke partijen, is een belangrijke rechtvaardiging daarvoor het gegeven dat een politieke partij doordringt tot ons wetgevend instituut. Dit argument is niet van toepassing op de religieuze, salafistische organisaties. Zij vormen immers geen politieke partij die meedoet aan de verkiezingen in Nederland. Dit krachtige argument om salafistische organisaties niet te verbieden, zolang ze niet oproepen tot geweld wordt nog versterkt door het pleidooi van Ignatieff om juist in een samenleving met een veelheid aan religieuze en seculiere meningen, de vrijheid van meningsuiting en godsdienst niet op te offeren aan overwegingen van openbare orde.
In navolging van Etzioni en Ignatieff, is mijn voorlopige conclusie terughoudendheid te betrachten en eerst een kans te geven aan andere methoden waarbij met minder vergaande middelen de functie van geweldloos salafisme als kweekvijver voor jihadi-salafisten wordt verstoord. Daarop voortbouwend kunnen we wellicht salafistische da’wa organisaties er van overtuigen dat het goed zou zijn als zij actief zouden gaan prediken tegen jihadi-terrorisme. Zij hebben gezag en op die manier kunnen zij aantonen actief te werken aan het voorkomen van jihadi-terrorisme en zich van iedere verdenking van steun aan jihadi-salafisme zuiveren. Kortom Salafisme moet krachtig aangepakt worden, maar het ultieme middel van een verbod moet voorlopig pas gebruikt worden als er sprake is van geweld of van een oproep tot geweld. Zo kunnen we weerbaar vasthouden aan onze eigen principes zonder onze democratische rechtstaat in gevaar te brengen.
Er is terecht zorg rondom mensen die heel snel zeer in zichzelf gekeerde salafisten worden; die zorg mag niet in angst omslaan, want angst is een raadgever als zij ons adviseert da maar alle salafistische organisaties te verbieden. Samen met gematigde en vreedzame salafisten kunnen wij voorkomen dat mensen op een keerpunt in hun leven naar geweld en jihadisme omslaan.
Daniëlla Gidaly
Oud-gemeenteraadslid Den Haag voor de VVD en student rechtsfilosofie
NB
Mij is het opgevallen dat er mensen zijn die bezwaar hebben tegen de “Oudejaarssamenwerking” tussen de politie en de jongeren van de moskee in de Schilderswijk. Veel gehoorde argumenten zijn dan meestal in de orde van: het is verkeerd dat jongeren van een moskee “politietaken” vervullen. Op mijn beurt ben ik weer verbaasd over dit perspectief. In mijn eigen buurt hebben wij in samenwerking met politie en gemeente een buurtpreventieteam. Dit team is een soort verlengstuk van de politie zonder dat het een van de taken die exclusief aan de politie is voorbehouden vervult. Zo zie ik ook de samenwerking tussen deze jongeren en de politie. Zij vervullen geen politietaken, handhaven zelf geen orde, maar vergemakkelijken het werk van de politie om orde te handhaven, juist omdat zij hun eigen buurtgenoten, kennissen en vrienden aanspreken. Hun “lidmaatschap” van de moskee hangt in casu meer samen met de moskee als maatschappelijk middenkader in de wijk dan met de moskee als godsdienstig instituut. Bovendien verwacht ik dat – net als in ons eigen buurtpreventieteam – het begrip van de jongeren voor de politie wordt vergroot en omgekeerd. Daarmee wordt het risico dat deze jongeren zich buitengesloten uit de Nederlandse maatschappij en vervreemd van de Nederlandse maatschappij gaan voelen verkleind. En aangezien “het zich buitengesloten of vervreemd voelen” een belangrijke oorzaak van radicalisering is, wordt daarmee het risico op radicalisering verkleind.
Of zoals Christian Weijts het schreef in zijn column: “maar waar politie en justitie het niet alleen afkunnen, zijn alle extra burgerogen welkom, om potentiële daders te pakken, en om te voorkomen dat complete wijken zich van de samenleving afkeren.”

Handen schudden een traditie of een nieuw Scheveningen?

handen schuddenIn de NRC is naar aanleiding van het artikel van Samira Dahri en de reactie van haar man imam Suhayb Salam een polemiek ontstaan onder anderen over handen schudden. Er is een groep moslims die handen schudden als seksuele intimidatie ervaart. En er is een groep Nederlanders die heel principieel stelt dat handen schudden vereist is in Nederland.

Waar gaat het om als je elkaar tegenkomt?

Dat je de ontmoeting en elkaar erkent (to acknowledge zouden de Engelsen zeggen) met wederzijds respect?

Of zijn we in ons liberale Nederland zo dogmatisch geworden dat bij een ontmoeting per se handen moeten worden geschud? Zien we niet dat we onderling vaak alleen zwaaien of dat met name mannen als ze een leuke vrouw tegenkomen zich vaak het recht toe-eigenen ter begroeting te zoenen? Of is dat handen schudden het nieuwe Scheveningen of achtentachtig geworden? Zoals we in de oorlog Nederlands sprekende Duitsers ontmaskerden door ze Scheveningen of achtentachtig te laten zeggen? Dat vraag je normaliter toch ook van iemand die je tegenkomt?

We accepteren wel van “mede-autochtonen” dat ze ons op allerlei andere wijzen begroeten dan door onze hand te schudden. Waarom worden we dan ineens principieel als het om moslims gaat. Waarom kunnen we in ons ruimdenkend land de begroeting niet beoordelen op de oprechtheid waarmee het gebeurt en vooral op het wederzijds respect in plaats van op vorm?

Ik ben het met de familie Dahri eens: laten we ons concentreren op de echt belangrijke zaken en bijvoorbeeld samen met vreedzame salafisten werken aan een omgeving waarin jongeren niet meer de behoefte hebben om te radicaliseren of te helpen die jongeren en hun omgeving weerbaarder te maken tegen de roep van jihadi’s.

Terrorisme, dus ook ISIS vraagt om een multidisciplinaire visie en aanpak

In de nrc van 21 november 2015 stond een prachtig betoog van Ian Buruma onder de titel “Geef ze een reden om te leven, niet om te sterven.” Ik zou daarvan overigens willen maken “om niet te willen sterven”. Het betoog behoeft een aanvulling. Ian Buruma heeft gelijk als hij schrijft dat iemand als Abu Omar bezield wordt door de cultus van de dood. De kans is groot dat hij een fanatiek extremist zou zijn geworden in iedere cultuur of godsdienst. Dit geldt waarschijnlijk maar voor een kleine groep binnen ISIS. De rest zijn volgers. Juist de grote groep volgers zijn de mensen die van dit dodelijk fanatisme weg zouden kunnen en willen blijven als zij iets zouden hebben om voor te leven in plaats van de uitzichtloosheid die het leven hen nu biedt. Hoe om te gaan met de mensen die leiden vanuit de cultus voor de dood en met de grotere groep volgers is volgens mij iets waar filosofen, politicologen en rechtsgeleerden de samenwerking met onder anderen zoals sociaal psychologen, sociologen, antropologen en psychologen moeten zoeken. Kortom slechts een multidisciplinair team kan ons echt verder helpen. Een uitgelezen kans voor een krant als de nrc om schrijvers uit verschillende disciplines zoals Ian Buruma, Tina Berkman, Folkert Jensma en Roos Vonk te vragen artikelen te schrijven waarin ze binnen een thema op elkaar reageren en vooral op elkaar voortborduren en wellicht ook met een geenschappelijke aanpak komen. Ze zitten dicht bij elkaar en zouden elkaar zo enorm kunnen versterken.isis

Geothermie risico’s

Wie kent niet die consumentenprogramma’s waarin we zien hoe wij autogebruikers massaal worden opgelicht door garagehouders die dankbaar gebruik maken van ons gebrek aan kennis als het gaat om auto’s? Wat heeft dat met geothermie te maken vraagt u zich nu wellicht af? In mijn ogen heel veel. Immers winning van geothermie gebeurt meestal door tuinders, gemeentes of elektriciteitsbedrijven. Geen van drieën organisaties met aantoonbare kennis op het gebied van geothermie, niet waar?

De tuinder, de gemeente , het elektriciteitsbedrijf zien zich aangewezen op experts uit de wereld van gas&oliewinning. Of is overgeleverd een beter woord? En daarmee begeven ze zich – onbewust – in de moeras van ‘outsourcing’.

ARON, Clement en REDDI zeggen hier bijvoorbeeld (vrij vertaald) het volgende over. Bij outsourcing is een van de grote risico’s – zeker als de uitbesteder niet veel verstand heeft van het uit te besteden werk – dat de leverancier welbewust misbruik maakt van de onwetendheid van de klantboren. Hij kan dit doen door minder goed werk af te leveren dan nodig is en een professional zou accepteren. Herkenbaar voor wie bekend is met geothermieprojecten. Bij een casus waar ik bij betrokken was, ontstonden tijdens de winning al vrij snel problemen omdat het boorgat gruis bevatte. Zowel de boorders als de ingehuurde expert verzekerden de klant dat dit een risico was dat helaas nooit helemaal te voorkomen is en ook niet van te voren te voorspellen is. De werkelijkheid is dat het schoonhouden van het boorgat, het continu verwijderen van gruis een essentiële taak van de boorders is. Essentieel, maar kostbaar en tijdrovend. Dus als de klant er niet gedetailleerd genoeg over contracteert en ook niet goed genoeg op laat controleren, zal de boorder gaan voor maximalisatie van zijn winst ten koste van de klant. En het boorgat minder zorgvuldig dan nodig schoonhouden….

De Warmtewet herzien

De echte vraag is als de overheid ondernemers “dwingt” restwarmte In te zetten, wie draait dan op voor het verlies?

De Warmtewet is op 1 januari 2014 in werking getreden. Binnen de kortste keren kwamen er zoveel klachten binnen over de wet dat minister Kamp nauwelijks een jaar later al heeft aangekondigd de wet grondig te herzien. Veel partijen hebben ideeën over hoe de wet veranderd moet worden.
Alvorens in detail in te gaan op de benodigde wijzigingen in de Warmtewet, voel ik echter eerst de behoefte op een rij te zetten waarom de Warmtewet ooit geschreven is.
Ter bevordering van de energietransitie willen we graag bevorderen dat restwarmte en duurzame warmte wordt gebruikt om gebouwen te verwarmen. Om gebouwen te kunnen verwarmen direct met duurzame warmte of met restwarmte is het nodig een transport- en distributienet aan te leggen van de productielocatie naar de gebouwen. Voor het gebruik van restwarmte van elektriciteitscentrales is bovendien een extra investering nodig bijvoorbeeld een WKK. Vaak blijkt de business case van restwarmte moeilijk rond te krijgen (in vergelijking met gasgestookte ketels). Meestal is het de overheid, bijvoorbeeld een gemeente die onder anderen bij elektriciteitsproducenten er op aan dringt restwarmte in te zetten voor verwarming van gebouwen. Deze bedrijven zijn natuurlijk niet genegen dit te doen als ze daardoor verlies lijden. Anderzijds zijn gebruikers van restwarmte en hernieuwbare energie gedwongen gebruikers. Zij hebben geen keus omdat er maar één infrastructuur wordt aangelegd die kan zorgen voor verwarming van hun huis. Daarom verdienen ze bescherming onder anderen t.a.v. de gevraagde prijs. Het zou onrechtvaardig zijn als ze meer zouden moeten betalen dan bewoners met een gasgestookte ketel. Integendeel er zijn zelfs partijen die vinden dat gebruikers van een Warmtenet een lagere prijs verdienen omdat er ook nadelen verbonden zijn een Warmtenet boven een gasgestookte ketel.

De echte vraag is dus als de overheid ondernemers “dwingt” restwarmte In te zetten, wie draait dan op voor het verlies? Ondernemers willen daar terecht niet voor opdraaien, maar ook een kleine groep bewoners mogen we daar niet voor laten opdraaien. De huidige wet negeert dit probleem en probeert door middel van zeer ingewikkelde bepalingen de kool en de geit te sparen. Dat werkt niet.

Dan nu enige suggesties voor verbetering:
De minister geeft zelf al in de Warmtevisie aan dat WKK niet rendabel te maken is. Als de overheid per se wil dat we die restwarmte toch blijven inzetten zullen we die kosten moeten socialiseren en over de totale bevolking moeten verspreiden. Wellicht kunnen we dat financieren d.m.v. een CO2 toeslag op aardgas en petroleum. Daarnaast zullen we bij die warmtenetten zo snel mogelijk op zoek moeten naar duurzaam te produceren warmte om de netten mee te voeden. Alle overige monopoliediensten hebben een infrastructuur die ooit met behulp van overheidsgeld is aangelegd. Als we dan zo graag Warmtenetten willen, laat de overheid dan ook deze netten helpen aanleggen. De kans is groot de overheid dat er uiteindelijk veel aan zal verdienen. De netten blijken wel technisch rendabel te zijn, maar een langere afschrijvingstermijn te vereisen dan de meeste bedrijven zich kunnen permitteren. En dan de vraag hoe we gaan bepalen wat een redelijke prijs is. Waarom stappen we niet af van al die formules waar niemand tevreden over is en gaan we niet een tijdje het per individu die niet tevreden is uitrekenen? We wijzen een team aan dat bestaat uit een jurist en een verwarmingsexpert. Na een jaar individuele cases beoordelen, zal het veel gemakkelijker zijn tot een breed gedragen formule te komen.

ACM onthoudt bewoners Hoogeland Naaldwijk warmte

Gebonden gebruikers in de zin van de Warmtewet
De wijk Hoogeland in Naaldwijk is de eerste grote nieuwbouwwijk ter wereld die wordt verwarmd en gekoeld met restwarmte uit tuinbouwkassen. Dat betekent dat de 800 bewoners van de huizen neergezet door woningbouwcorporatie Vestia geen keuze hebben: hun huizen worden verwarmd met restwarmte van de omliggende kassen. Voorwaar een typisch voorbeeld van gebonden gebruikers die de Warmtewet beoogt te beschermen tegen te hoge tarieven door middel van het Niet Meer dan Anders principe.

situatie Hoogeland
Situatie Naaldwijk Hoogeland
Omdat het door de kassen geleverde water een gemiddelde temperatuur heeft van 11,95 ℃, moet dit verder worden opgewarmd. Bij een temperatuur van 11,95 ℃ is het immers niet geschikt voor de verwarming van het huis, het douchewater en het tapwater. Dit gebeurt meestal door middel van een warmtepomp. In veel gevallen wordt gebruikgemaakt van een centrale warmtepomp om het water op te warmen. Het water stroomt dan op de juiste temperatuur de huizen in. In de wijk Hoogeland is door Vestia gekozen voor individuele warmtepompen die zich in de huizen bevinden. Dat daar bewust voor gekozen is om onder de Warmtewet uit te komen, blijkt uit een citaat van Meiny Prins in Trouw: In het project Hoogeland is het gelukt om onder dat NMDA-beginsel uit te komen, maar het is maar een van de weinige voorbeelden.

Uitspraak ACM Naaldwijk Hoogeland
ACM: “Ten einde vast stellen of de Warmtewet van toepassing is, moet ACM beoordelen of
Vestia in het onderhavige geval warmte levert aan de bewoners van Hoogeland. Op zich is sprake van een situatie van gebonden gebruikers. De Warmtewet is echter niet van toepassing op woningen in een wijk waar water (met een gemiddelde temperatuur van 11.95℃ ) ná het overdrachtspunt nog verwarmd moet worden door middel van een warmtepomp om het geschikt te maken voor ruimteverwarming dan wel sanitaire doeleinden. Uit de in Hoofdstuk II geciteerde wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de temperatuur van het geleverde water op het zogenoemde overdrachtspunt geschikt moet zijn voor huishoudelijke doeleinden. Met het overdrachtspunt wordt volgens de parlementaire geschiedenis bedoeld het punt waarop het warmtenet overgaat in de installatie.
De individuele warmtepomp maakt op grond van het bovenstaande naar het oordeel van de ACM onderdeel uit van de installatie van de individuele verbruikers. De pomp ligt na het overdrachtspunt en maakt derhalve volgens de definitie van artikel 1, sub c van de Warmtewet geen onderdeel uit van het warmtenet .”

Besluit ACM in strijd met geest Warmtewet 1
De gebruikers hadden geen keus. Voor hen is er geen wezenlijk verschil tussen warm water geleverd door middel van een centrale warmtepomp of warm water geleverd door middel van een individuele warmtepomp in hun huis. Bovendien waren de individuele warmtepompen al in hun huizen geïnstalleerd toen ze er kwamen wonen. Voor een technocratische toepassing van de Warmtewet is dit echter volgens de ACM wel een wezenlijk verschil. Omdat het water op een temperatuur van 11,95 ℃ het huis in komt en pas in het huis verder wordt opgewarmd.

Besluit ACM in strijd met geest Warmtewet 2
De bedoeling van de Warmtewet is de bescherming van de gebonden gebruiker. Een snelle telling in twee toelichtingen levert 28 keer het gebruik van het woord gebonden in de context van gebonden gebruiker, gebonden aan warmtenet en 5 keer het gebruik van het woord monopolie in de context van monopolie van de leverancier waartegen kleine gebruiker beschermd moet worden. Terwijl de uitleg dat de
temperatuur van het geleverde water op het zogenoemde overdrachtspunt geschikt
moet zijn voor huishoudelijke doeleinden, slechts een keer in de Toelichting voorkomt. In de wetstekst zelf wordt niets gezegd over de temperatuur van het water. Ik volg slechts de eerbiedwaardige rechtsgeleerde Paul Scholten in Dorsten naar gerechtigheid als ik stel dat hier sprake is van fraus legis. Alleen om de Warmtewet te ontduiken hebben de projectontwikkelaar en Vestia gekozen voor individuele warmtepompen die na het overdrachtspunt zijn geinstalleerd. Daar waar de letterlijke interpretatie van de wet leidt tot een resultaat dat duidelijk in strijd is met de bedoeling van de wet is plaats voor rechtsverfijning. Dit klemt te meer, omdat de gewraakte toelichting al in 2002-2003 is geschreven, dus lang voor de invoering van de wet.

Opties voor de bewoners
Naast beroep bij het College voor Beroep voor het bedrijfsleven, zouden de bewoners kunnen overwegen een aansluiting op het aardgasnet aan te vragen. Weliswaar betekent dat voor hen een verlies in de zin dat ze al voor de aansluiting op het net van Vestia en voor de warmtepomp hebben betaald, maar voor Vestia en de gasnetbeheerder zijn de verliezen nog veel groter. Vestia kan immers in één keer de investering in het net afschrijven en de gasnetbeheerder moet alsnog een dure infrastructuur naar de wijk Hoogeland aanleggen. Wellicht krijgt alleen al het dreigement partijen aan tafel en bereid water in de wijn te doen. Daarnaast kunnen de bewoners Vestia voor de rechter dagen omdat ze geen warmte leveren die op het zogenoemde overdrachtspunt geschikt is voor huishoudelijke doeleinden.

Conclusie
De ACM heeft op legalistische wijze de bewoners van Naaldwijk Hoogeland de bescherming onthouden die de wetgever wel voor ze bedoeld had. Als de ACM de wetstekst en de toelichting vanuit een iets ander perspectief zou lezen, zouden er genoeg aanknopingspunten zijn om de bewoners de bescherming te bieden waar ze recht op hebben.

In een volgend artikel zal ik ingaan op het legalistisch argument dat er wel is om aan te tonen dat de bewoners ook volgens de letter van de wet recht op bescherming van de Warmtewet hebben.

Database topvrouwen verspilling geld

Met stijgende verbazing en irritatie jegens mevrouw Bussemaker en de heer de Boer heb ik gelezen genomen van weer een verspilling van onze belastingcenten.Die database met topvrouwen bestaat al geruime tijd:

https://www.google.nl/url?sa=t&source=web&rct=j&ei=jCP3VJnzLsnSUZ6egIgJ&url=http://www.vanderlaancompany.nl/&ved=0CCAQFjAA&usg=AFQjCNEGs623gwEkdXAtnLhF_GhqUYbBiw

Het echte probleem is dat het altijd moeilijk is mensen in je team op te nemen die niet op jezelf lijken. Als mevrouw Bussemaker gaat samenwerken met vanderLaancompany en het aldus bespaarde  geld steekt in de methode Verwaayen zullen we tegen minder kosten een beter resultaat halen. Voor degene die de methode nog niet kent: De minister vraagt iedere CEO en voorzitter RvC  om een lijst met tien high potentials. Waarschijnlijk bestaat die lijst voornamelijk uit voorspelbare mannen. Dan stuurt de minister de lijst terug met de vriendelijke opmerking dat de helft van de bevolking uit vrouwen bestaat, dus dat ze minstens vier vrouwen op de lijst zou verwachten. Of ze een aangepaste lijst kan krijgen. En tegen de tijd dat er een vacature moet worden vervuld,  belt de minister nog even met de betreffende CEO of voorzitter en herinnert hem of haar nog even aan de vrouwen op zijn eigen lijst.  Geen dwang geen quotum. Alleen een vraag om uitleg als het geen vrouw wordt.

De prijs van warmte minder dan ……..de prijs van aardgas

Op 4 februari houdt de Tweede Kamer een hoorzitting over warmte. 600.000 huishoudens die nu al aangesloten zijn op stadsverwarming en veel innovatieve ondernemers in duurzame restwarmte kijken reikhalzend uit naar deze vergadering. Zullen de leden eindelijk begrijpen hoe belangrijk warmte is in de energietransitie en zullen ze bereid zijn zich voldoende te verdiepen in de problematiek en de mogelijke oplossingen?

Allereerst de huidige afnemers van restwarmte. Zij voelen zich door de Warmtewet die op 1 januari 2014 van kracht werd in de kou gezet. De Warmtewet beoogt de consument te beschermen tegen te hoge prijzen door middel van het “Niet Meer Dan Anders” (NMDA) principe. Met andere woorden een huishouden aangesloten op stadsverwarming of een warmtenet zou niet meer geld kwijt moeten zijn aan verwarming en warm water dan wanneer het op aardgas aangesloten zou zijn geweest. In werkelijkheid kunnen de ingewikkelde berekeningen zoals vastgelegd in de wet en de uitvoeringsbesluiten, afhankelijk van de aansluitkosten en toekenning van kosten van bv warmtepompen, er makkelijk toe leiden dat huishoudens aangesloten op warmtenetten vele honderden euro’s meer moeten uitgeven per jaar. En, in het geval van aansluiting hebben ze geen keus meer. Overschakelen op een andere leverancier of op aardgas is praktisch onmogelijk. En dat terwijl velen zich afvragen of ze niet beloond zouden moeten worden voor het feit dat ze gedwongen aangesloten zijn op een veel duurzamere warmtebron dan het gros van de Nederlandse huishoudens (96%).

En dan de ondernemers. Het gaat hier om MKB’ers die mogelijkheden zien op wijkniveau voor duurzame restwarmte op lage temperatuur bijvoorbeeld warmte uit een AWZI-effluentstroom of warmte uit warmtecollectoren onder een kunstgrasveld. Omdat warmtenetten op dit moment niet open zijn voor meerdere producenten, hebben zij geen gelijke kans voor exploitatie van hun warmtebronnen. Ze krijgen immers geen toegang tot de bestaande distributienetten en kunnen hun warmte dus niet afleveren bij potentiële klanten. Die zijn in handen van de grote energiebedrijven en afvalverbranders. Als de wetgever ze daartoe niet dwingt, zullen deze vrijwillig niet snel concurrenten faciliteren. Tenslotte de kosten van verwarming. Meer dan de helft van de energierekening bestaat uit vaste lasten, met als gevolg dat bijvoorbeeld isolatie niet makkelijk terug te verdienen is. En dan de huurders in de sociale woningbouw. Hoe wil de Tweede Kamer die impasse doorbreken? Op dit moment is de prognose dat de energierekening van huurders in oude, slecht geïsoleerde huizen snel zal oplopen. De huurders zelf kunnen daar weinig aan veranderen. Maatregelen om het verbruik te verminderen liggen grotendeels bij de corporaties. Zij zouden moeten investeren in bijvoorbeeld isolatie en zonnepanelen. Aangezien de wetgeving de corporaties niet toestaat de huurprijs zo te verhogen dat zij de investering terug kunnen verdienen, zijn de corporaties zeer terughoudend met dit soort duurzame investeringen, zeker nu hun vermogenspositie door de crisis sterk verslechterd is. veldverwarming

Energiebesparing rendabel?

Onlangs ontving mijn jaarafrekening elektriciteit en gas. Interessante materie voor iemand die graag op het gebruik van energie bespaart.

Ik kwam namelijk tot de gruwelijke ontdekking dat ik voor al mijn harde werken nauwelijks beloond wordt: Op een totaalrekening van € 1887,13 ex BTW is slechts € 798,71 variabel. Ik kan dus minder dan de helft van mijn rekening zelf beïnvloeden. Al zou ik geen energie meer gebruiken dan nog zou ik bijna € 1100,- moeten blijven betalen:

Energiebelasting € 744,55 ( vast voor de eerste 10.000 kWh en de eerste 5000 m3, geen consument die daarbij in de buurt komt: ik gebruik circa 3000 kWh per jaar inclusief een elektrisch koken en een elektrische boiler en 1000m3 gas) .
Transportkosten € 343,97 (transportkosten worden per dag gerekend, blijkbaar ook op dagen dat je geen gas gebruikt, maar wel aangesloten bent. Aangezien ik elektrisch kook en het tapwater elektrisch verwarm, gebruik ik in de zomer geen gas, toch betaalnik transportkosten over 365 dagen)

Logisch dat het lastig is om investeringen in energiebesparing rendabel te krijgen.

En wat ik helemaal niet begrijp: Ik moet €156,34 btw (belasting) betalen over de energiebelasting die ik moet betalen. Ben ik nou gek als ik belastig over belasting bizar vind?

Als de dames en heren bestuurders zo graag willen dat wij investeren in energiebesparing, laten ze dan een groter deel van de energiekosten variabel maken!

De Warmtewet laat ons in de kou staan

Onlangs werd bij mij in de wijk een WKO (Warmte Koude Opslag) aangelegd voor het ICC. Omdat het ICC op duinwatergrond staat kan er niet recht onder het gebouw worden geboord. Eén van de bronnen werd vlakbij mijn huis geboord en dus zag een aantal wijkbewoners een kans om van hun alsmaar stijgende aardgaskosten verlost te worden. Onze huizen aansluiten op de WKO voor het ICC en we zouden voortaan op een duurzame manier verwarmd aan onze warmte komen. Nooit hebben we een fatsoenlijk antwoord gekregen op ons toch alleszins redelijk verzoek om een aansluiting. Reden voor de jurist in mij om mij in de Warmtewet te verdiepen in de veronderstelling dat deze net als de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen indertijd in 1997 handvatten zou bieden om de monopolist die ons zo slecht behandelde aan te pakken. Ik had de liberalisering in de Telecommarkt indertijd van dichtbij meegemaakt.
Wie schetst mijn verbazing toen ik bij het lezen van de Warmtewet (op 1 januari 2014 ingevoerd) en de toelichting daarop, las dat vandaag de dag de meeste warmtenetten maar één producent hebben en dat dit dan ook maar zo in de wet moest worden vastgelegd. Verbazingwekkend voor een ieder die de openbreking van de telecommunicatie- of de elektriciteitsmarkt van dichtbij heeft meegemaakt.
Immers ook in de telecommunicatie-en in de elektriciteitsmarkt bestond indertijd een situatie waarbij het distributienetwerk waarmee de diensten aan huizen werden geleverd in handen was van de enige producent. KPN bezat zowel de aansluitingen naar uw huis als de centrales waar de diensten werden “geproduceerd”. De lokale elektriciteitsproducenten zoals Nuon of Eneco bezaten ook het netwerk waarover zij hun elektriciteit als enige aan u konden leveren.
In beide gevallen heeft de wetgever besloten deze situatie te doorbreken en bedrijven als KPN of Nuon of Eneco te dwingen hun concurrenten toe te laten op de distributienetten tegen dezelfde voorwaarden als die voor henzelf golden. Een gelijk speelveld. Met als gevolg dat u vandaag de dag over het netwerk van Eneco of Delta ook elektriciteit van een boer Vandebron geleverd kunt krijgen en dat het KPN netwerk u keurig de telecommunicatiedienst van Tele2 levert. De prijzen die u moet betalen zijn dankzij het openbreken van de markt verlaagd en de kwaliteit en variëteit in de dienstverlening is aanmerkelijk verbeterd. Waarom is deze beleidslijn dan niet naar de Warmtemarkt doorgetrokken? Overal in Nederland staan potentiële leveranciers te trappelen om hun duurzame restwarmte aan u te gaan leveren. Zonder (toegang tot) een distributienet gaat dat niet lukken. Zonde toch van die effluentstromen van 15 graden die iedere gemeente vandaag loost en die ongeveer 10% van de huizen zou kunnen verwarmen of van al die koelwaterstromen van datacenters en supermarkten die nu niet gebruikt worden om uw huis te verwarmen.
Warmte is de belangrijkste energieslurper in de bebouwde omgeving. Als we in meer huishoudens dan de schamele 6% die nu zijn aangesloten de aardgas zouden kunnen vervangen door duurzame restwarmte, zouden we tot 30% CO2 reductie kunnen realiseren. We zouden ook verlost zijn van de reële dreiging dat binnenkort de helft van ons inkomen opgaat aan onze energierekening. Het is de meest kansrijke duurzame energiebron om fossiele energie op korte termijn te vervangen en de doelstelling van 16% duurzame energie te halen.
Als er zoveel duurzame restwarmte is en als het zo een goed vervangingsmiddel is, waar is dan de tsunami aan warmteprojecten?

Het antwoord is simpel: met de invoering van de Warmtewet heeft Nederland een kans gemist. Wat nodig is om te beginnen is een veel grotere focus op oudbouw: een oud huis heeft 150 tot 200 gigajoules (GJ) per jaar nodig voor verwarming en warm tapwater. Een nieuwbouwhuis wordt bijna energieneutraal gebouwd en heeft maximaal 20 tot 30 GJ per jaar nodig. Met goede isolatie en de inzet van restwarmte kan in een oudbouwhuis een reductie van 120 GJ op jaarbasis worden gerealiseerd. Vier tot vijf keer meer dan het totale verbruik van een nieuwbouwhuis.
Ten tweede is er een transitie nodig van hoge temperatuur (50-70 graden) verwarming naar lage temperatuur (20-40 graden) verwarming. De meeste restwarmte die vandaag de dag wordt ingezet is warmte afkomstig van met fossiele energie gestookte elektriciteitscentrales of vuilverbranders. Het warme water dat geleverd wordt heeft daarmee een veel hogere temperatuur dan nodig. Wie heeft er behoefte aan dat zijn huis naar 70 graden wordt verwarmd? De meesten van ons hebben aan circa 20 graden genoeg. Door ruim baan te bieden aan lage temperatuur verwarming worden de mogelijkheden om restwarmte te gebruiken verveelvoudigd. Met behulp van warmtepompen en warmtewisselaars kan water van 15 graden op uiterst efficiënte wijze naar 30 graden verwarmd worden om ingezet te worden in onze huizen. Dan hoeft KPN het koelwater van de datacenters (21 graden ) niet meer te lozen, kan iedere stad z’n effluentstroom nuttig inzetten en kunnen we ook WKO’s breder gaan inzetten.
Ten derde moeten we erkennen dat het distributienet dat nodig is om warm water te distribueren infrastructuur is, net zo zeer als onze wegen, onze riolering of ons elektriciteitsnet. Laten we het dan ook zo behandelen. Met andere woorden laat de overheid zich verantwoordelijk gaan voelen voor het aanjagen van de aanleg van lokale distributienetten. Het betreffen langetermijninvesteringen die meer geschikt zijn voor PPS dan voor de markt pur sang. Laten we inzien dat het jaarlijks rendement op deze investering met een zeer laag risico veel lager mag zijn dan de 7,1 % die nu geëist wordt door de elektriciteitsbedrijven. En last but not least: stel een marktmeester aan die met de juiste juridische middelen (een aangepaste Warmtewet) in de hand net als de OPTA in de Telecommunicatiewereld zorgt dat al deze toetreders onder gelijke voorwaarden op het warmtenet worden aangesloten als de bestaande warmteproducenten.
Op 17 november krijgen de Tweede Kamer en minister Kamp een nieuwe kans. Dan vindt een allereerste evaluatie van de Warmtewet plaats. Agnes Mulder (CDA) heeft terecht om een hoorzitting gevraagd. Het is belangrijk dat de Tweede Kamer zich meer verdiept in de vraag waar het heen gaat met warmte voor het een beslissing neemt. Het voorstel van Jan Vos om te investeren in restwarmte van kolencentrales en afvalverbranders betekent geld over de balk gooien omdat die restwarmte allesbehalve duurzaam is en snel zal afnemen.