S-Force

Zelfredzaamheid via huiswerkbegeleiding

Onlangs schreef Robbert Dijkgraaf in zijn column over een nieuwe elitevorming. Hadden we gedacht dat met de introductie van de meritocratie iedereen een redelijke kans zou krijgen, blijkt dat toch niet waar te zijn. Weinig kinderen kunnen zonder hulp van thuis goed door school komen. Hoogopgeleide ouders weten veel beter hoe ze hun kinderen moeten helpen (Dijkgraaf bekent eerlijk dat ook hij zijn kinderen heeft geholpen). Zoals Dijkgraaf het formuleert: het maakt nogal verschil of je startpunt dankzij je ouders dichtbij de top ligt of dat je helemaal onderaan moet beginnen aan een lange, steile klim.

Zelf geef ik al een jaar of tien gastlessen op de weekendschool en daar kom ik soms heel verdrietig vandaan. Stelt een kind vragen waaruit duidelijk blijkt dat hij op vwo-niveau kan denken, blijkt ie met moeite op vmbo-basis te zitten.

Daarom heb ik samen met Fonds Sahla project S-Force op gezet. We zijn drie proefprojecten gestart, waarvan één samen met Stichting Jeugdwerk in Den Haag. Ik ben Catharina Abels heel dankbaar dat ze ons in contact heeft gebracht met Stichting Jeugdwerk.

De uitgangspunten van Stichting Jeugdwerk zijn ontleend aan oud-Nederlandse gezegden, maar wat belangrijker is, ze worden door alle medewerkers uitgedragen en geleefd:


Voorkomen is beter dan genezen;

Jong geleerd is oud gedaan, maar wel samen met de ouders;


Geef liever een hengel dan een vis; het doel is zelfredzaamheid.


Vanaf september gaan hoogopgeleide vrijwilligers van S-Force samen met de professionals van Stichting Jeugdwerk huiswerkbegeleiding geven aan leerlingen uit groep, 5, 6, 7 en 8 op scholen in de Schilderswijk

Daadkracht is goed, maar vaak kun je beter eerst even op je handen gaan zitten

Beleid ☚☛ Praktijk

Een tijd geleden was ik bij een inspraakbijeenkomst van de gemeente. Het onderwerp was een nieuw beleidsplan van de gemeente rond zaken als gezondheid en eenzaamheid. De gemeente had een mooi pand afgehuurd, er was natuurlijk eerst een algemene sessie in een grote zaal. De portee van het inleidende verhaal was dat de gemeente vol daadkracht was en vooral ging stimuleren dat allerlei organisaties in wijken met een gezondheidsachterstand plekken zouden inrichten waar mensen konden komen sporten of waar eenzame mensen anderen konden ontmoeten of waar mensen advies konden krijgen over gezonde voeding, over geschikte beweging of over gezond omgaan met financiën of zo. En, oh ja, er was geen geld beschikbaar voor vrijwilligersvergoedingen.

Vervreemding


Daarna was het plan in tien thema’s gehakt en afhankelijk van je belangstelling kon je vervolgens in een klein zaaltje samen met medewerkers van andere organisaties in hetzelfde werkveld luisteren naar de uitleg van een paar ambtenaren over dat specifieke thema.  Wij zaten met stomheid geslagen te luisteren en hadden maar een vraag voor de aanwezige ambtenaren: “Hoe gaan jullie zorgen dat je doelgroep naar al die duur ingerichte plekken en adviseurs gaan komen?”  Waarop de ambtenaren ons even verbaasd  vroegen; “Hoe bedoelen jullie?” En wij ze weer vroegen: “Maar weten jullie dan niet dat 95% van onze inspanning er in zit om eenzame of zieke mensen zo ver te krijgen dat ze opstaan, zich aankleden en het huis uitkomen? Weet je niet hoe vaak onze vrijwilligers die mensen bellen, bij ze langsgaan tot ze een keer meekomen en hoe vaak ze dat moeten herhalen voordat mensen uit zichzelf komen? We zitten niet te wachten op mooi ingerichte plekken, we ontmoeten ze in een buurthuis  of gaan met ze wandelen. En die vrijwilligers zitten vaak in de bijstand. Die kunnen zich echt de onkosten niet permitteren, daar hebben ze een onkostenvergoeding voor nodig. Zonder onze vrijwilligers komt er niemand van de doelgroep naar jullie ontmoetings- of sport- of voorlichtingsplekken.

Mismatch

Ik moest aan die ontmoeting tussen twee werelden denken toen ik de oratie van Frans de Leeuw las over de mismatch tussen goedbedoelde overheidsinterventies en ingesleten gedragsmechanismen van mensen waar de interventies voor bedoeld zijn.[1]

De Leeuw stelt dat wij bij het bedenken, implementeren en evalueren van maatregelen veel te weinig de neurowetenschappelijke, sociologische en psychologische experts raadplegen. Zij kunnen vaak ex ante al aangeven of een maatregel een kans van slagen heeft en wat je kunt doen om de kans van slagen te verhogen.

Nog steeds houden wij te weinig rekeningen zowel met de context waarin de maatregelen effect moeten sorteren als met ingesleten gedragsmechanismen in mensen.

Topsalarissen

Een prachtig voorbeeld van zo een mechanisme is relatieve deprivatie: Of ik me arm of rijk voel, hangt voor een groot deel af van de vraag of ik meer of minder heb dan de mensen waar ik me mee meet. En die relatieve deprivatie maakt dat neurosociologen waarschijnlijk hadden kunnen voorspellen dat het publiceren van topinkomsten als effect zou hebben dat die salarissen steeds sneller zouden stijgen. Immers die ceo’s willen allemaal meer verdienen dan hun concollega’s, hun status hangt daar van af en geen Raad van Commissarissen durft zijn ceo ergens anders dan in het hoogste kwartiel te zetten qua inkomsten. En dat terwijl de bedoeling van de maatregel was de topsalarissen te matigen.

Onderzoek wijst uit dat de meest gehanteerde interventies uitgaan van (een combinatie van) financiële prikkels, overreding, dwang/handhaving en bescherming van zwakkeren. Onderzoek wijst ook uit dat de mechanismen die het beste werken zijn: leren, leren en nog eens leren, belonen en straffen, vooral binnen de eigen sociale groep en verhogen pakkans.

Actie Reactie & de wet van de onbedoelde neveneffecten

Zolang we daar geen rekening mee houden, zullen we zien dat de overheid maatregelen neemt die niet alleen niet gewenste effect hebben, maar om met von Mises te spreken een heleboel ongewenste effecten zullen genereren, waarop wij weer – actie reactie – nieuwe maatregelen zullen bedenken in plaats van op te houden met wat we deden.


[1] Frans L. de Leeuw, Gedragsmechanismen achter overheidsinterventies en rechtsregels, oratie 23.05.2008, Universiteit Maastricht

Baudet of Jetten, waarom ze me geen beiden aanspreken

Van Engelshoven en Bidet, twee kanten van dezelfde medaille. Als reactie op uitspraken van Bidet in zijn essay over Houllebecq laat van Engelshoven weten dat zij ontzet is door de domme uitspraken: “Ik blijf strijden voor financiële onafhankelijkheid van vrouwen zodat zij in vrijheid altijd hun eigen keuzes kunnen maken”, zo laat zij weten.

Die reactie vind ik minstens net zo tenenkrommend als de door haar gehekelde opmerkingen. Waarom? Omdat beiden voor mij als kiezer niet concreet genoeg worden. Ik koop niets voor hun uitspraken. Het echte debat dat Bidet aanzwengelt is de vraag hoever wij willen gaan met het kapitalisme en liberalisme. Hij doet dat door te appelleren aan gevoelens van nostalgie. Als ik eerlijk ben, vrees ik bijvoorbeeld ook voor de teloorgang van de Papa&Mama winkels die niet kunnen opboksen tegen grote ketens. Voor straten vol eenheidsworsten van ketenwinkels en ketenrestaurants.

Voor een maatschappij waarin het kapitalistische ideaal zo ver doorgeschoten is dat we geen oog meer kunnen hebben voor de ander, omdat we continu moeten knokken om zelf in leven te blijven. Soms zijn de VS dan het verhaal van een naderende nachtmerrie voor mij. Voor mij weliswaar nog geen reden om op Bidet te stemmen, maar ik kan me wel voorstellen dat hij ermee appelleert.

Waarom besteden andere partijen geen aandacht aan de vraag hoe we kunnen zorgen dat niet alles een eenheidsworst wordt of hoe we tegemoet kunnen komen aan de zorg dat ons recht op euthanasie (waar ik een voorstander van ben) niet misbruikt wordt inderdaad door mensen die een erfenis begeren of die geen zin hebben hun ouders te verzorgen? En waarom wordt niemand concreet over wat een sterker Europa betekent (waar ik onder voorwaarden voor ben) en wat minder Brusselse regeltjes betekent (waar ik onder voorwaarden ook voor ben). Bidet laat maar een kant zien, maar D66 net zo goed. Onbevredigend omdat de kiezer twee kanten ziet en wil weten waar tussen die twee kanten een politicus de grens legt.

S-Force

soms is een klein duwtje voldoende

zelf kunst maken is gaaf

Als gastdocent op de IMC Weekendschool maak je van alles mee. Tijdens de lessen politiek bleken veel kinderen te denken dat ze geen volksvertegenwoordiger mogen worden omdat ze van buitenlandse afkomst zijn. Nog schrijnender vond ik het meisje dat zulke intelligente vragen stelde dat ik ervan overtuigd was dat ze op het gymnasium zat. Bleek ze te worstelen op VMBO basis.
Dan zie je in de praktijk waar de Inspectie van het Onderwijs ieder jaar voor waarschuwt: het diploma van de ouders bepaalt steeds vaker het diploma van de kinderen.

dat vak van politieagent is gaaf en meisjes kunnen het ook!


En daar wil iets aan doen. Al zijn het maar een paar druppels op een warme plaat. Als veel mensen er veel druppels op laten vallen, dan krijg je de temperatuur toch weer naar een acceptabel niveau.
Samen met Fonda Sahla hebben we drie proefprojecten opgezet met drie verschillende scholen in zogenaamde achterstandswijken.
Met dank aan veel van onze vrienden en kennissen is het eerste project maandag 6 mei van start gegaan . Drie gastdocenten hebben leerlingen van groep 8 maandag twee uur lang laten kennismaken met hun beroep of vak, ze laten ervaren hoe het is om daarin te werken. De leerlingen hebben trotse foto’s gemaakt, zichzelf nagetekend door hun gezicht te voelen, Nederland via luchtfoto’s leren kennen en geraden wat de foto voorstelt en in vogelvlucht de geschiedenis van de architectuur van onze huizen leren kennen.

Het mooiste compliment kwam toen de leerlingen kwamen vragen of ze meer van deze lessen mochten krijgen.
Donderdag mochten ze een verkeersprobleem oplossen met een oud-wethouder, aan de JSF knutselen met een vrouwelijke soldaat van de luchtmacht, aandelen kopen met een vroegere trader en een huis verbouwen met een aannemer en vrijdag hebben ze ademloss naar militaire avonturen in Soedan en Israel geluisterd, aan loopbaanplanning gedaan, ontdekt dat ook meisjes politieagent kunnen worden. En de eerste verzoeknummers zijn ook al binnen.

Maandag gaan we verkiezingen houden, to be continued

Mag een kind breken met een ouder?

Ethiek of pedagogiek? Never the twain shall meet?


Veronique en Gerrit waren al enige tijd gescheiden toen Marinka, hun middelste kind steeds vaker bij haar vader aankaartte dat Veronique wel erg veel druk op haar uitoefende rond haar schoolprestaties. Iedere keer als ze met een slecht cijfer thuiskwam, kreeg ze een strenge preek over het feit dat ze harder moest werken. En daar werd ze heel zenuwachtig van, waardoor ze hoe hard ze ook studeerde op proefwerken helemaal blokkeerde en juist steeds slechtere cijfers haalde. Toen Gerrit samen met haar naar Veronique ging om dit te bespreken, kwam hij niet veel verder dan de zin: “Marinka wil een tijdje bij Pappa komen wonen.” Veronique ontplofte: “Jij zwakkeling, zie je dan niet dat Marinka je om haar pink wikkelt met haar zielig gedoe. Er is niets aan de hand, behalve dat ze lui is en iemand haar achter haar broek moet zitten. Bij jou weet ze dat dat niet gaat gebeuren.”

Voor Marinka was de maat nu vol, ze gaf aan niet eens meer bij haar moeder te durven wonen en smeekte haar vader haar mee te nemen. Uiteindelijk gaf Gerrit toe en nam haar mee.

De volgende dag probeerde hij nog een keer met Veronique erover te praten en uit te leggen waarom hij het niet met haar eens was dat Marinka een strenge aanpak nodig had. Veronique’s reactie: “Ik ben altijd een goede moeder geweest voor Marinka, ik verdien het niet dat ze zo met me breekt. Jij moet ervoor zorgen dat ze zo snel mogelijk terugkomt.” Enigszins verbaasd dat het gesprek niet ging over wat goed was voor het kind, maar wat de moeder wel of niet verdiende, probeerde hij het gesprek terug te brengen naar wat hij dacht dat de essentie was, te weten wat goed was voor Marinka en de mogelijkheid dat Marinka niet op haar moeder maar op haar vader leek in dit geval en dus eerder faalangstig dan lui was.

Hij kwam er niet tussen. Omdat hij het wel met Veronique eens was dat zij altijd een goede moeder was geweest in de zin dat ze alles met de beste intenties deed, probeerde hij thuisgekomen met Marinka het onderwerp “weer contact met je moeder” aan de orde te stellen. Hij schrok van de paniek die hij in Marinka’s ogen zag oplichten en besloot het onderwerp voorlopig even niet meer aan de orde te stellen en zich in plaats daarvan te richten op herstel van rust en vertrouwen bij zijn dochter. Hij ging met haar mentor en de belangrijkste leraren praten. De school adviseerde haar te laten onderzoeken op faalangst en toen dat inderdaad werd geconstateerd namen ze in overleg met school een aantal maatregelen waardoor Marinka uiteindelijk met een aantal herexamens toch over kon gaan. Hoewel hij al die tijd Veronique op de hoogte hield van de ontwikkelingen en de voortgang, kreeg hij van haar alleen zeer kille reacties. Het leek wel of ze niet geïnteresseerd was in de voortgang van Marinka, maar alleen in de vraag wanneer ze weer terug zou keren of althans weer contact zou maken. Sterker ze verweet hem dat hij daar zijn best niet voor deed.

Toen Marinka na de grote vakantie het nieuwe schooljaar veel beter begon en weer wat vertrouwen leek te krijgen, besloot hij haar weer te gaan aanmoedigen contact met haar moeder te zoeken. Onder de voorwaarde dat ze er niet hoefde te gaan wonen, gaf Marinka uiteindelijk toe en herstelde het contact zich weer enigszins. Tussen Gerrit en Veronique is de verhouding, die voor de breuk met Marinka zeer goed was, nooit meer hersteld.

Voor Veronique was hier sprake van een duidelijk morele kwestie: Een kind hoort respect te hebben voor zijn ouders en kan niet zomaar een ouder verstoten, zolang de ouder zich niet misdragen heeft. Veronique kan bogen op een lange traditie. Zei Confucius niet reeds dat kinderen hun ouders met eerbied moeten behandelen: als kind moet je ze gehoorzamen, en later moet je voor ze zorgen. Zomaar met je ouder breken, terwijl deze je niets heeft misdaan, is in die visie niet toegestaan. Breekt je kind met je en krijgt het de steun van de andere ouder het kind daarbij dan zal de hele wereld aannemen dat je iets vreselijks hebt gedaan. Dus bovenop het verdriet dat je je kind niet ziet stapelt zich ook nog schaamte omdat “men” schande van je spreekt.

Voor Gerrit daarentegen was hier sprake van een puur opvoedkundige aangelegenheid: wat was het beste voor het kind? Dat was voor hem ook gemakkelijker want zijn morele uitgangspunt was dat het belang van het kind altijd gaat voor het belang van de ouder.

Wat had Gerrit anders kunnen doen om Veronique mee te krijgen in zijn visie en aanpak en haar niet het gevoel te geven dat hij haar in de steek had gelaten in een voor haar ethisch gezien zo belangrijke zaak? Daarvoor gaan wij graag te rade bij de Brits-Ghanese filosoof Kwame Anthony Appiah. Hij adviseer ons vaker te proberen een tijd te lopen in de schoenen van de ander. Als Gerrit zich wat meer had verdiept in Veronique, was hij erachter gekomen dat zij als kind behoorlijk ongedisciplineerd was geweest en dat zij maar op het nippertje haar middelbare school had afgemaakt met dank aan haar vader die haar iedere dag achter haar broek zat. Zij zag een duidelijke parallel tussen Marinka nu en haarzelf toen, vooral omdat Marinka ook in andere opzichten op haar leek. Veronique had dan misschien ook meer open kunnen staan voor Gerrits belevenissen op de middelbare school. Gerrit vond school indertijd leuk en haalde goede cijfers ook zonder dat iemand hem achter zijn broek zat. Er was een uitzondering. Voor Frans had hij een bullebak als leraar. Een man die hem bij het minste geringste foutje ongeveer uitschold. Gerrit kon daar zo slecht tegen dat hij helemaal bevroor als hij bijvoorbeeld een Frans proefwerk had. Hoe goed hij ook had geleerd, hij haalde steeds slechtere cijfers. Hij herkende diezelfde “als een konijn in de koplamp” reactie bij Marinka. Misschien hadden ze elkaar nog niet overtuigd met zo een wandeling in elkaars schoenen. Maar ze zouden wel meer open hebben gestaan voor het idee dat er ook andere verklaringen mogelijk zijn dan je eigen. Ze hadden dan samen met de school of een specialist kunnen gaan praten om te vragen hoe deze Marinka’s problemen bezagen. Als Veronique dan vervolgens aan Marinka haar spijt had kunnen betuigen, had uitgelegd waar haar gedrag vandaan was gekomen, dan had hun allebei veel ellende bespaard kunnen blijven.

Utopie of realiteitszin?

Toen ik lid werd van de VVD was dat omdat ik graag wilde dat mijn partij zich meer ging bezighouden met energietransitie en duurzaamheid. Ik wilde dat om twee redenen: omdat het een realiteit is dat de aarde opwarmt, het milieu verontreinigd raakt en grondstoffen als zoet water uitgeput raken als de mens ongegeneerd doorgaat. Tegelijkertijd maakte ik me zorgen om het van realiteitszin ontblote utopiegedrag van partijen als Groen Links. Mijn nachtmerrie was een wereld waarin de overheid met een zeer gedetailleerde, onleefbare regelgeving  mij allerlei quota zou opleggen mbt het aantal kilometers dat ik mag rijden of de hoeveelheid vlees die ik mag eten. Daarbij alle ruimte wegnemend om zelf hier creatief mijn CO2 uitstoot te verminderen op de manier die mij de minste pijn zou kosten.

Gelukkig heeft de VVD volte face gemaakt en het opwarmings- en vervuilingsprobleem naar  zich toegetrokken.

Wat helaas nog niet gebeurd is, is dat de VVD de discussie naar zich toegetrokken heeft en van meer gezond verstand heeft voorzien.

Het is goed utopien te formuleren mbt de uitstoot over tig jaar. Tegelijkertijd moeten we de realiteitszin hebben om plannen te maken die passen bij de realiteit van vandaag. Als we eigenlijk nog geen idee hebben hoe je in oude wijken van het gas af kan raken, laten we dat dan ook nog niet doen. Waarom berekenen we niet wat vandaag het laaghangend fruit is? Wat vandaag het messte resultaat oplevert per euro en wat in ieder geval nuttig is? Bijvoorbeeld alle gebouwen isoleren, openbaar vervoer en fietsen stimuleren, alle daken van zonnepanelen voorzien, etc. et.
En laten we vooral minstens 10% van het te besteden bedrag reserveren voor innovatieve technologien op dit gebied. Daarmee snijdt het mes aan twee kanten: we leveren een bijdrage aan het terugdringen van milieuverontreiniging en we verzekeren onze economische toekomst.

Weg met de slachtofferrol, ook bij ondernemers

Vanochtend was ik naar mijn goede vriend Ab van der Touw, oud-topman van Siemens, aan het luisteren. Bij Buitenhof https://www.vpro.nl/speel~WO_VPRO_15350386~audio-buitenhof-podcast-wel-of-geen-co2-heffing~.html was hij aan het uitleggen waarom we de grootste vervuilers vooral geen CO2-heffing moesten opleggen. Kern van zijn betoog: op Shell na hebben ze allemaal hun hoofdkantoor in het buitenland, dus CO2-heffing betekent dat alle activiteiten naar het buitenland zullen verhuizen en dus verlies van werkgelegenheid, veel werkgelegenheid.

Ik kan er niets aan doen mijn hersenen gingen fast backwards naar eind 19de eeuw. In gedachte zag ik de overgrootvader van Ab van der Touw betogen waarom het dom was van Nederland om maatregelen tegen paardenmestoverlast in steden te nemen. Minder koetsen en karren door paarden getrokken, alle fabrikanten van koetsen en karren zouden naar het buitenland vertrekken evenals alle rijken die zich het genoegen te paard door de stad te rijden niet zouden laten ontnemen. Zoveel werkgelegenheid die daarmee verloren zou gaan.

Ik hoop dat overgrootvader van der Touw Ab even op zijn schouder tikt en hem influistert niet dezelfde fout te maken die hijzelf indertijd heeft gemaakt. Ab je kunt het verleden niet vasthouden. Net als toentertijd de verbrandingsmotor de paardenkracht zou verdrijven en voor veel meer werkgelegenheid zou zorgen, zo staan nu de innovatieve bedrijven met duurzamere technologieën in de coulissen hun opwachting te maken. Zij gaan zorgen voor werkgelegenheid. Op hen gaan we inzetten. En de zwaar vervuilende mastodonten zullen uitsterven als ze zich niet aanpassen. Weg werkgelegenheid.

En voor degenen die lijden aan nostalgitis: de overlast van paardenmest was vele malen erger dan die van verbrandingsmotoren. https://isgeschiedenis.nl/nieuws/grote-paardenmestcrisis-van-1894

Ondernemers, doe niet wat wij VVD’ers de socialisten altijd verwijten: iedereen in de slachtofferrol duwen in plaats van ze aan te moedigen op zoek te gaan naar de mogelijkheden.

Volksvertegenwoordiger of politicus?

We willen graag stemmen op mensen waar we tegenop kunnen kijken, maar die niet op ons neerkijken.   

Elite
 “Hoe kan het dat mensen die zich afzetten tegen dé elite massaal kiezen voor Thierry Baudet?”is een vraag die ik vaak om mij heen hoor. “Baudet is immers de vleesgeworden elite met zijn bekakte accent, spreuken het Latijn, zijn vleugel en de vele boeken die hij leest?”

De vraag is wat je onder elite verstaat en of het woord wellicht meerdere betekenissen heeft gekregen?

Volgens Wikipedia betekent elite:

Elite (Frans: élite uit Latijn eligere = uitkiezen) is een kleine groep in een maatschappij met buitengewone kwalificaties of privileges waardoor zij op een bepaald vlak de hoogste positie innemen

Uit die groep mensen werd vroeger een groot deel van de volksvertegenwoordigers gekozen. Zij werden verondersteld het landsbelang het beste te kunnen dienen. Je ging er daarbij impliciet van uit dat zij de tegenstrijdige belangen in ons land goed tegen elkaar zouden kunnen afwegen, zonder hun eigen individuele belangen te laten prevaleren.

Luister je goed naar wat mensen bedoelen als ze vandaag de dag op dé elite afgeven, dan wordt het duidelijk dat het woord een ontwikkeling heeft doorgemaakt en niet ten goede:

Volksvertegenwoordigers zijn vervangen door politici
Dit is meer dan semantiek. Nu we het woord volksvertegenwoordiger bijna niet meer gebruiken en in plaats daarvan over politici praten, zien ze zichzelf ook niet meer in de eerste plaats als volksvertegenwoordigers, als mensen die het belang van het hele land moeten dienen, daarbij steeds de belangen van alle Nederlanders tegen elkaar afwegend. En wij zien ze ook in de eerste plaats als politici en behendige politici associëren wij niet als vanzelfsprekend met onkreukbaarheid.

Onze volksvertegenwoordigers zijn vervangen door politici. Een politicus is iemand die veelal beroepsmatig actief is in de politiek. Associaties bij politiek zijn “handig”, “behendig”, maar niet onkreukbaar, niet iemand die de belangen van alle Nederlanders vertegenwoordigd.  

Dé elite is dan ineens een groep politici geworden. Baantjesjagers die op z’n minst de indruk wekken hun eigenbelang voorop te stellen. Kunnen we nog wel stemmen op volksvertegenwoordigers, komen die nog wel op kieslijsten van de gevestigde partijen voor?

Mensen als Trump en Baudet laden de verdenking van eigenbelang minder snel op zich juist omdat ze buiten de gevestigde partijen om gekozen zijn. Ze wekken de indruk minder op hun eigenbelang uit te zijn, omdat ze (nog) niet mediagetraind overkomen. Ze zeggen politiek niet-correcte dingen en daarom zijn we eerder geneigd ze te geloven. En al zijn we het niet altijd met ze eens, omdat ze eerlijker overkomen, krijgen ze vaker onze stem.

Neerbuigend
Er is nog iets wat traditionele elite van de huidige politieke elite onderscheidt. Iemand die bij de elite hoort omdat hij buitengewone kwaliteiten heeft, heeft niet de behoefte zich daarop voor te laten staan en kijkt niet neer op anderen. De huidige politieke elite wekt de indruk neer te kijken op de rest van Nederland en komt daardoor neerbuigend over. Mensen als Baudet en Trump praten neerbuigend over politici, en scharen zich daarmee automatisch bij de rest van het land. Sterker nog iedere keer dat een politicus van een gevestigde partij zich neerbuigend gedraagt richting Baudet, schoffeert hij daarmee impliciet ook al die andere Nederlanders die zich al in de hoek voelde weggezet. De wond wordt weer opengereten.

Weg met de politici, welcome back dames en heren volksvertegenwoordigers
We raken het vertrouwen in de politiek kwijt door het gedrag van de politici zelf.  Johan Remkes en alle D66 aanhangers  kunnen dan ook eindeloos debatteren over institutionele veranderingen die het vertrouwen van de burger in de politiek terug moet brengen, ze zullen er geen deuk in een pak boter mee slaan.

De vertrouwenscrisis in Nederland kan niet worden opgelost met een beetje navelstaren en wat institutionele veranderingen. De in de windtunnel ontworpen politici moeten weer vervangen worden door volksvertegenwoordigers, mensen met buitengewone kwalificaties die het landsbelang dienen, maar wel gewone mensen van vlees en bloed die gekozen willen worden omdat ze goede volksvertegenwoordiger willen zijn en niet politici. Mensen waar we tegenop kunnen kijken, maar die niet op ons neerkijken.   

Waarom zou een weldenkend mens nog godsdienstig zijn?

God is niet langer dat mannetje op de wolk die ons allemaal tot in detail micromanagement. God is meer het besef dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij mensen ooit kunnen bevatten.  Ook al kunnen we het niet bevatten, we zijn er wel mee verbonden en we kunnen er wel hoop uit putten.

In Why Religion? vervlecht Elaine Pagels de verwerking van haar eigen tragische ervaringen met de bestudering van de geschiedenis van godsdienst.[1] Zoals zij zelf in de inleiding schrijft: “De erkenning van zulke verbindingen helpt ons het verleden te begrijpen en verlicht het heden.”


e[1] Elaine Pagels, Why Religion?, New York: Harper Collins, 2018. Elaine Pagels heft onder anderen veel tijd besteed aan het uit het Koptisch vertalen en het bestuderen van de teksten uit de Nag Hammadi Bibliotheek. Om de teksten te duiden, het verschil dat de ontdekking van deze teksten heeft gehad op het perspectief, heeft ze het boek The Gnostic Gospels geschreven. Vroege jeugd en Billy Graham

Vroege jeugd en Billy Graham

Opgegroeid in Palo Alto op een dieet van godsdienst  light, (haar vader was overtuigd atheïst, maar haar moeder bracht naar zondagsschool en zij had ook vrienden met wie ze weleens naar een kerkdienst ging), werd Elaine  op haar vijftiende gegrepen door de gepassioneerde overtuiging van Billy Graham.
Met een vader die last had van verschrikkelijke woede-uitbarstingen en een moeder die haar fysiek noch emotioneel enige warmte kon bieden, vond ze bij Billy Graham wellicht de warmte die ze thuis miste.[1] De begrafenis van haar vriend Paul betekende tevens het einde van haar liefde voor de kerk van Billy Graham. Ze kwam erachter dat zijn aanhangers hun sympathie voor Paul verloren op het moment dat ze ontdekten, dat hij niet een van hen was. Paul was Joods.


[1] Als Elaine probeerde haar gevoelens met haar moeder te delen, was het standaardantwoord: “Zo hoor je niet te voelen.” Of toen haar dierbaar vriend, de schilder Paul, overleed in een auto-ongeluk: “Het is maar beter zo, hij was toch niet goed voor jou.”

Studententijd, Gnostic Gospels en ketterij

In haar boek spelen de Gnostic Gospels een belangrijke rol. Toen Elaine op Harvard aankwam waren de Dead Sea Scrolls net twee jaar eerder gevonden, bijna tegelijk met de Nag Hammadi Bibliotheek in Egypte. Daardoor kwamen allerlei evangeliën die niet in de officiële bijbel waren opgenomen en die tot dan ook praktisch onbekend waren beschikbaar om te bestuderen. Gnostisch staat in het Grieks voor inzicht, maar in de ogen van de vroege kerkvaders, zoals de gerespecteerde kerkvader Irenaeus, waren deze gnostische evangeliën door Satan geïnspireerde ketterij.  Ketterij staat eigenlijk voor eigen keuze als het tegenovergestelde van orthodoxie, puur denken, dat wil zeggen denken zoals de kerkvaders vinden dat je moet denken, accepteren dat de vroege kerkvaders wisten wat goed voor ons was, wat de echte evangeliën waren en wat niet.[1] Blijkbaar waren er rond 400 na Christus ook al monniken die keuze niet slecht vonden en die ondanks een tegenovergestelde opdracht van bisschop Athanasius doorgingen met het kopiëren van deze ketterse evangeliën, opdat mensen konden kiezen tussen evangeliën. Het grote verschil tussen de Bijbel zoals wij die kennen en de meeste gnostische evangeliën, is dat de gnostische evangeliën vooral vragen stellen, terwijl de Bijbel en de Kerk je opdragen wat je moet geloven.

Een van de kernvragen is wat godsdienst eigenlijk is? Een vastgestelde lijst dogma’s waarin eenieder moet geloven of mag eenieder zelf kiezen uit de grote verzameling ideeën? Ideeën die deels ook uit andere tradities dan de Christelijke kunnen komen, maar wel concepten die passen bij, ja die antwoorden geven op, datgene wat jij meemaakt en wat vragen bij jou oproept in de tijd waarin je leeft, in de omgeving waarin je leeft.  Discussie over bijvoorbeeld wat ketterij is, zijn niet zomaar een verschil van mening over ideeën. Toen, ten tijde van de vorming van het vroege Christendom was het een heftige strijd over wie de macht zou krijgen, hoe de maatschappij gevormd moest worden, met welke groep je je identificeert, wie bepaalt welke evangeliën in het officiële Nieuwe Testament mogen worden opgenomen.

Studie van de bijbel versus theoretische natuurkunde

Wat mij fascineert is dat zij raakvlakken ontdekte tussen haar onderzoek en dat van haar man, Heinz Pagels, een theoretisch natuurkundige. Een van de redenen waarom ik na de middelbare school niet stond te trappelen om bijvoorbeeld natuurkunde te gaan studeren, was omdat ieder contact met natuurkunde mij onvermijdelijk leidde naar levensvragen over bijvoorbeeld eindigheid en oneindigheid, aan vragen met betrekking tot keuzes en sterfelijkheid versus onsterfelijkheid. Die vragen waren toen voor mij zo overweldigend dat ik er neerslachtig van werd, met als resultaat dat ik er ver van wilde blijven en rechten ging studeren. Een tijd geleden las ik twee boeken van Carlo Rovelli, ook een theoretisch natuurkundige, en ook hij raakt in zijn boeken over de theoretische natuurkunde aan dit soort levensvragen, ja hij wordt in zijn uitleg poëtisch. Ik heb mij dan ook voorgenomen het boek Cosmic Codes van Heinz Pagels ook te gaan lezen.

Van haar man kreeg Elaine nog een andere belangrijke levensles mee: Meestal kun je andermans probleem niet oplossen, de beste hulp is meestal luisteren, echt luisteren en meeleven (wat iets anders is dan medelijden of dan erger gaan lijden dan het slachtoffer zelf). Hoe waar en hoe moeilijk is deze levensles. Nog steeds heb ik discussies met de ene zoon, omdat hij eigenlijk nooit naar mijn problemen wil luisteren, juist omdat hij het gevoel heeft dat hij mij niet kan helpen, terwijl ik bij mijn andere zoon nog steeds zelf zo nu en dan in de fout schiet en toch weer probeer te helpen, terwijl hij alleen maar wil dat ik luister. Wat is het toch dat we anderen zo graag willen helpen? Soms in mijn meer “gemene” buien denk ik dat het deels ook te maken heeft met ego: als ik jou kan helpen, voel ik me superieur, al zal ik dat natuurlijk nooit zeggen.


Verdriet, woede, de bijbelse leer en hoe deze volens nolens tot in ieders haarvaten is doorgedrongen

Wanneer een jaar na het overlijden van haar zoon Mark ook Heinz haar echtgenoot komt te overlijden valt Elaine in een diep afgrond van emoties. Elaine zou Elaine niet zijn, als haar dat niet tot nieuwe inzichten leidt rond emoties als woede en agressie en de manier waarop wij on onze op christelijke waarden gebaseerde cultuur worden verondersteld daarmee om te gaan. Ze herleest de bekende Bijbelse verhalen van Genesis tot het boek van Job en komt tot de ontdekking dat de Bijbel vol zit met verhalen die ons waarschuwen om te leren onze woede in de hand te houden, ja eigenlijk blijkt de enige die het recht heeft woedend en dus agressief te worden God te zijn. Moeilijk te verwerken voor iemand die zo door verdriet verscheurd wordt dat ze graag iemand de schuld zou willen kunnen geven van alle ellende die haar is overkomen. Ook al weet ze rationeel heel goed dat haar dat niet werkelijk gaat helpen, omdat het haar zoon noch haar echtgenoot terug zal brengen, heeft ze toch het gevoel dat het haar rouwproces zou kunnen helpen. Als je niet boos kunt of mag worden op bijvoorbeeld Satan, dan blijft er weinig anders over dan boos te worden op jezelf, aan te nemen dat jij iets hebt misdaan waarvoor je nu zo zwaar wordt gestraft, dat jij de dood van je zoon en je echtgenoot hebt veroorzaakt. Waar de boeddhisten accepteren dat leven lijden is, lijken de joodse en christelijke theologen uit te gaan van een perfecte wereld waar het Kwaad binnensluipt als straf voor iets dat jij fout hebt gedaan.

Als het leven anders verloopt dan verwacht, moeten we doen wat het leven van ons verwacht.

We moeten verantwoordelijkheid nemen om het juiste
antwoord te vinden bij wat ons overkomt en de taken
vervullen die ons opgedragen zijn, in plaats van ons steeds
 maar afvragen wat de betekenis van het leven is. Worstelend
met Satan, besluit Elaine de oorsprong van Satan als haar
volgende wetenschappelijke project te adopteren. Inmiddels
verhuisd naar de Princeton Institute for Advanced Study, begint ze te onderzoeken in het Oude Testament en in de gnostische evangeliën waar Satan opduikt en hoe hij vormgegeven wordt.  De eerste ontdekking: de Satan zoals we die kennen uit het nieuwe Testament of uit de Koran, als een bovennatuurlijke, in- en inslechte macht, komt in het Oude Testament niet voor. In het Oude
Testament lijkt Satan eerder te staan voor een innerlijk stemmetje, een tegenstander. Zijn aanwezigheid is meestal de voorbode van ongeluk. Elaine realiseert zich dat Satan wordt gebruikt door mensen. Bijvoorbeeld als iemand zegt: “Satan neemt dit land over.” Dan heeft de spreker bepaalde mensen in gedachte en de luisteraar weet dat ook. Zij besluit dan ook “de sociale geschiedenis van Satan” te schrijven. Waarom schreven Christenen over Satan? Hoe associëren ze hem met bepaalde mensen en welke mensen zijn dat.

Haar eerste aanwijzing vond ze in een van de Dode Zee rollen, de Rol van de Oorlog van de Zonen van het Licht tegen de Zonen van het Duister. De Zonen van het Duister zijn bondgenoten van de Slechte, of te wel Satan, Prins van de Duisternis. Zonen van het Licht zijn leden van de sekte van Essenen en zonen van de Duisternis zijn niet alleen indringers zoals de Romeinen maar ook Joden die met de Romeinen samenwerken. Jezus van Nazareth was een tijdgenoot van deze Essenen en waar Elaine verwachtte dat ook zijn volgelingen de Romeinen en de collaborerende Joden als Satan zouden zien, komt ze erachter dat de volgelingen van Christus alleen de Joodse vijanden van Jezus schuldig houden voor zijn veroordeling en kruisiging. De volgende vraag is waarom de eerste volgelingen van Christus de Romeinen vrijpleiten van schuld, daarmee het zaadje van Christelijk antisemitisme plantend. Het antwoord is simpel: deze volgelingen van Christus zijn als de dood om net als de Essenen door de Romeinen vervolgd en afgemaakt te worden. Jezus was slechts een van de vele duizenden die in die periode door de Romeinen van opruiing werd verdacht en dientengevolge werden gekruisigd. Waar Marcus vooral Pontius Pilatus vrijpleit, gaat Mattheus verder en laat hij de Joden zelf het bloed van Jezus als een vloek over zichzelf afroepen, terwijl Johannes een tiental jaar later zelfs Christus de Joden aan de kaak laat stellen als een duivel. Ziehier de bron van het Christelijke antisemitisme.

Met dit simpele scenario van goed tegen slecht, zijn in de daaropvolgende 2000 jaar miljoenen en miljoenen mensen opgejaagd, gemarteld en vaak wreed vermoord. Elaine gaat nog een stap verder. Voor haar volgt uit deze ontdekking dat versimpelde scenario’s van goed tegen kwaad, mensen aanmoedigen een conflict te zien als iets waar niet over onderhandeld kan worden. Het doet haar ook inzien dat ze de term slecht moet vermijden als ze het over een groep heeft, ja zelfs als ze het over een individu heeft en dat ze in plaats daarvan bepaalde handelingen als slecht moet kwalificeren.

Hetzelde geldt ook bij het opvoeden van kinderen: Zeg nooit dat een kind stout is, zeg alleen dat wat hij gedaan heeft stout is. Hetzelfde geldt trouwens voor complimenten. Het kind is niet slim, maar heeft iets slims gezegd of gedaan.

Het is niet of ratio of emotie is, maar en ratio en emotie

Na de negatieve consequenties van godsdienstige tradities te hebben ontdekt, wordt het tijd voor de positieve, de godsdienstige tradities, ja zelfs verhalen over Satan kunnen mensen ook helpen te leren omgaan met de werkelijkheid.

De voordelen van satan

Ons aller wereldbeeld in het Westen, is gevormd door de Bijbelverhalen. Dat geldt ook voor degenen die niet Bijbels zijn opgevoed. Met name het idee dat we in een moreel georganiseerde wereld leven waarin wie goed doet goed ontmoet en omgekeerd heeft hardnekkig postgevat in onze hersenen. Wie dit eenmaal inziet zou kunnen proberen het wereldbeeld meer te keren in de richting van het beeld van chaos en toeval zoals we dat uit de natuurkunde kennen. Vulkanen barsten uit, ook wanneer jouw geliefde daar toevallig loopt, niet om jou te straffen, maar omdat dat is waarvoor vulkanen op deze aarde zijn (vrij naar Aristoteles). Twee verhalen uit de Bijbel illustreren dit contrast en helpen Elaine in te zien dat ze verhalen kan gebruiken om mee te “denken”, maar ook om mee te “voelen”. Het verhaal van Job vertelt van een moreel netjes geordende wereld waarin Job, ondanks het feit dat hij alles verliest, blijft geloven in God, en uiteindelijk alles en meer terugkrijgt als beloningen voor zijn onwankelbare geloof. Elaine contrasteert dit met het verhaal van Jezus’ kruisiging zoals verteld in het evangelie van Marcus. Marcus begint zijn verhaal met de mededeling dat hij goed nieuws brengt en Elaine heeft in het begin moeite te begrijpen waar het goede nieuws in zit, nu Marcus alleen vertelt van Christus vernederingen, martelingen en kruisiging, zonder over de wederopstanding te reppen. Tot ze zich realiseert dat het goede nieuws gelegen is in de boodschap van hoop. In de wereld van Marcus, een wereld waarin lijden onontkoombaar is, ook als men goed doet, is God niet almachtig, is Satans macht groot, maar is Satans macht is ook tijdelijk. Hij kan verslagen worden.

De betekenis van de aankondiging van het Koninkrijk Gods

Elaine contrasteert ook het evangelie volgens Marcus met het Gnostische evangelie volgens Thomas. Bij Thomas moet de aankondiging van Jezus dat het Koninkrijk Gods aanstaande is, metaforisch worden geïnterpreteerd:

Jesus says: If those who lead you say to you, ‘The kingdom is in the sky’, the birds will get there first. If they say, ‘God is in the sea’, the fish will get there first. Rather, the kingdom of God is within you, and outside of you. When you come to know yourselves then…you will know that you are the children of God.

Bij Thomas gaat het om een staat van zijn waarin we weten wie we zijn, en God als de bron van ons zijn kennen. Het goede nieuws betreft ons allen. De tekst die Jezus bezigt in het evangelie van Thomas geeft het gevoel dat we allemaal met elkaar en met God verbonden zijn in een mystiek weefsel, omdat het licht van God in ieder van ons verborgen zit, ook al zijn we er ons niet altijd van bewust. Dat geeft hoop dat het ook weer mogelijk is uit de wanhoop en de isolatie los te breken. God is niet langer dat mannetje op de wolk die ons allemaal tot in detail micromanagement. God is meer het besef dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij mensen ooit kunnen bevatten.  Ook al kunnen we het niet bevatten, we zijn er wel mee verbonden en we kunnen er wel hoop uit putten.

Wie bepaalt wat je moet geloven?

De Openbaring van Johannes (de Apocalyps) boeit Elaine omdat zij het gevoel heeft dat vriend en vijand er de afgelopen tweeduizend jaar uit hebben geput om jonge mannen tot bloedige oorlogen te inspireren. Dus gaat ze op zoek aar de mens achter de profeet Johannes. Johannes heeft waarschijnlijk de verwoesting van de tempel in 70 na Christus meegemaakt. De wreedheden die hij in de Apocalyps omschrijft zijn misschien daarom wel zo aansprekend omdat hij ze daadwerkelijk beleefd heeft. Het framet mensen over de hele wereld om een conflict te zien als iets waar niet over onderhandeld kan worden, maar dat alleen door middel van een oorlog opgelost kan worden. In de Nag Hammadi bibliotheek zijn trouwens vele openbaringen aangetroffen, Joods en Christelijk, maar ook Egyptisch, Afrikaans en Syrisch. Het grote verschil tussen deze openbaringen en die van Johannes is dat de eerste niet het einde van de tijden voorspellen maar de geestelijke doorbraak. En daarmee zijn we beland bij het grote dilemma van iedere kerk: wie bepaalt wat je moet geloven? Hebben oude kerkvaders als Irenaeus en Tertullian gelijk als ze stellen dat “gewone” mensen niet moeten zoeken en ook geen vragen moeten stellen, maar hun autoriteit moeten accepteren om gered te worden? Maken vragen iemand tot ketter?

Alleen als er inderdaad één onveranderlijke, absolute waarheid bestaat die ook een mens kan bevatten en als er betrouwbare menselijke autoriteiten bestaan die deze waarheid kunnen kennen, heeft een spirituele zoektocht geen zin.

In de Gnostic Gospel of Truth wordt geschreven over de tijd vòòr het ontstaan van de wereld toen alle wezens op zoek gingen naar de Ene en hem niet konden vinden en bang werden, in paniek raakten. In dit evangelie is het niet de zonde die ons scheidt van God, maar ons beperkte bevattingsvermogen. En toen God al deze wezens zag, in paniek omdat ze niet wisten waar ze vandaan kwamen of waar ze heen gingen, stuurde hij zijn Zoon om hen terug te brengen. Het Kruis waar Jezus aan genageld is wordt daarmee een nieuwe Boom van Wijsheid e degenen die ter communie gaan en van zijn vlees eten en van zijn bloed drinken, ontdekken daarmee hem in zichzelf. Volgens dit evangelie kan lijden ons laten zien hoe we met elkaar verbonden zijn. Het doel van lijden is dan niet straf, maar verbondenheid vinden met anderen.

“Anything I say can speak to you only as it resonates through what you have experienced yourself; yet even within those limits, we may experience mutual recognition.”

[1] Het Engelse woord voor ketterij, heresy, komt van het Griekse woord hairesis dat keuze betekent.

Asscher stop met symboolpolitiek

Symboolpolitiek
PvdA bij monde van Lodewijk Asscher wil de vrijheid van onderwijs van scholen grondwettelijk inperken om zo ieder kind gelijke kansen op goed onderwijs te geven.
Pure symboolpolitiek die heel veel gaat kosten en niets gaat opleveren.
Onderzoek wijst keer op keer uit dat praktisch alle bijzondere scholen kinderen van ande e levensovertuiging accepteren. Op bijzondere scholen vind je dan ook nagenoeg hetzelfde percentage allochtone kinderen als op bijzondere scholen Uitzonderingen zijn op de vingers van een hand te tellen: een paar zeer orthodoxe scholen zowel van christelijke als van joodse en islamitische denominatie.
Waarom krijgen niet alle leerlingen een gelijke kans op goed onderwijs. Daar is een samenstel van factorem de veroorzaker van. Ten eerste we wonen gesegregeerd. Rijk bij rijk en arm bij arm. Kinderen gaan meestal naar de school in de buurt. Ten tweede “rijke, hooggeschoolde” ouders weten beter de weg en dis hebben de goede scholen en hun kinderen worden op tijd ingeschreven waardoor andere ouders, ook op openbare scholen, het nakijken hebben en mrt een wachtlijst worden geconfronteerd.
Is er wellicht op “rijke” scholen is er eerder geld om de vele administratieve taken bij onderwijzers weg te halen, waardoor ze meer tijd voor lesheven hebben? Asscher, luisyer eens maar je partijgenoot Tjeenk Willink en zet je in voor minder risico aversie, minder controle, minder meten en meer ruimte de ambachtsman die heus meestal weet wat hij doet, ook zonder dat jij er mee bemoeit